Geschreven teksten

Enkele voorbeelden van zelf geschreven teksten zijn op deze pagina te lezen.

Schrijfopdracht: schrijf een kinderverhaal waarin een dier de hoofdrol heeft.

Klein Vosje

Klein Vosje sloop door het bos. Hij moest oefenen een kip te vangen. ‘Als je net zo dapper en flink wilt zijn als ik, moet je een kip kunnen vangen’ had zijn vader hem gezegd. Klein vosje wist niet precies hoe een kip eruit zag, maar het moest vast een groot, eng monster zijn. Anders hoefde je niet zo dapper en flink te zijn. Klein Vosje zette zijn pootjes één voor één op de grond. Zijn snuit raakte bijna het mos. Zijn zwarte neusje bewoog op en neer. Nog even… nog een klein stukje… ja… spring!

‘Ik heb je!’ lachte Klein Vosje. Tussen zijn poten zat Kobe Konijn. ‘Heel goed, Klein Vosje. Laat me nu maar weer los.’ Klein Vosje zette Kobe Konijn voorzichtig weer op de grond. Kobe Konijn klopte zijn jasje schoon en keek tevreden naar zijn vriend. ‘Ik denk dat je er klaar voor bent, Klein Vosje.’ zei Kobe Konijn. ‘Denk je dat echt?’.

Klein Vosje tuurde vanaf de hoge berg naar de rokende schoorstenen in de verte. Zijn vader had verteld, dat daar de kip woonde. Kip moest vast vuur kunnen spuwen zoveel rook hij kon maken. ‘Maar hoe weet ik nu hoe een kip eruit ziet?’ vroeg Klein Vosje. ‘Een kip heeft twee poten.’ Met deze aanwijzing ging Klein Vosje op pad. Een kip had twee poten en kon vuur spuwen.

Terwijl Klein Vosje de heuvel af liep, kwam hij Eelco de Eekhoorn tegen. ‘Waar ga je naar toe, Klein Vosje?’ ‘Vandaag ga ik een kip vangen!’ zei Klein Vosje stoer ‘‘Maar dat durf je toch helemaal niet? Weet je wel hoe een kip eruit ziet?’ ‘Toevallig weet ik dat heel goed’, zei Klein Vosje. ‘Als je maar weet dat hij een hele scherpe snavel heeft!’ zei Eelco de Eekhoorn. ‘Pff, dat wist ik al lang’.

Snel rende Klein Vosje naar beneden. Eelco de Eekhoorn zorgde ervoor dat hij een akelig gevoel kreeg in zijn buik. Wel wist Klein Vosje nu hoe een kip eruit moest zien. Een kip had twee enorme poten, kon vuurspuwen en had een vlijmscherpe snavel.

‘Waar ga je naar toe, Klein Vosje?’ Leo Libelle landde op een waterlelie in de vijver. ‘Vandaag ga ik een kip vangen!’ ‘Maar dat durf je toch helemaal niet? Weet je wel hoe een kip eruit ziet?’ ‘Toevallig weet ik dat heel goed’, zei Klein Vosje. ‘Als je maar weet, dat een kip drie tenen heeft’, zei Leo Libelle. ‘Pff, dat wist ik al lang’.

En weer liep Klein Vosje verder. Een kip moest toch wel het allerengste beest op de wereld zijn. Twee enorme poten met drie tenen, vuurspuwend en een vlijmscherpe snavel.

‘Waar ga je naar toe, Klein Vosje?’ Sam de Specht stopte met kloppen tegen de bast van de boom. ‘Vandaag ga ik een kip vangen!’ ‘Maar dat durf je toch helemaal niet? Weet je wel hoe een kip eruit ziet?’ ‘Toevallig weet ik dat heel goed’, zei Klein Vosje. ‘Als je maar weet, dat een kip twee vleugels heeft, zei Sam de Specht. ‘Pff, dat wist ik al lang’.

Klein Vosje rende verder en kroop zo snel hij kon onder een houten hok door. Hij rolde zichzelf op en maakte zich zo klein mogelijk. Hij zou nooit een vuurspuwende, tweepotige, snavelige, drietenige kip met wijde vleugels kunnen vangen. Nooit zou zijn vader trots op hem kunnen zijn. Een traan rolde over zijn roodharige vacht.

‘Waarom ben je zo verdrietig?’ ‘Ga weg, ik wil alleen zijn’. ‘Het helpt als je praat over je verdriet’.

Klein Vosje hief zijn kop omhoog en keek in de donkere ogen van een prachtige, witte vogel. Ze had zachte donzige veren, gele lange poten en een lief klein snaveltje. Bang Vosje vertelde over de opdracht van zijn vader en over de vuurspuwende, tweepotige, snavelige, drietenige kip met wijde vleugels. De witte vogel schatterde het uit en vroeg aan Klein Vosje: ‘Weet je wie ik ben? Ik ben Kate de Kip!’ Klein Vosje bekeek Kate van boven naar beneden en van links naar rechts. ‘Maar jij ziet er helemaal niet eng uit!’ Kate de Kip schudde met haar kop. ‘Zullen we samen spelen? Dan ren jij weg en probeer ik je te vangen.’ zei Klein Vosje. Klein Vosje en Kate de Kip speelden de hele middag samen pakkertje. Ze sprongen op elkaar, duikelden over elkaar heen en hadden samen de grootste lol. ‘Zie ik morgen weer?’ vroeg Klein Vosje. ‘Ja, dat vind ik leuk!’, zei Kate de Kip.

Die avond vertelde Klein Vosje zijn avontuur aan zijn vader. ‘En toen kroop ik in het hok van de kip en sprong er bovenop!’ Tevreden sloeg zijn vader een poot om Klein Vosje heen. ‘Ik ben heel trots op jou!’ Klein Vosje glimlachte. Morgen ging hij weer een kip vangen!.

 

Schrijfopdracht: Combineer eten met een herinnering.

Hollandse delicatessen in Zuid-Frankrijk

De Knaus Comfort met bruine bekleding en oranje gordijntjes stond twee weken eerder dan de geplande vertrekdag op de oprit van ons huis. Ik moet een jaar of acht geweest zijn. Slechts 1 keer per jaar werd de caravan uit de stalling gehaald, maar dan gingen we wel meteen ruim drie weken naar Zuid -Frankrijk. Dagen was mijn moeder bezig met het blauwe, melamine servies af te wassen, vakantie-outfits voor vijf personen in de kasten te hangen en last but not least: campingvoer in te slaan bij de Aldi.
Als kind vond ik het machtig interessant de enorme voorraad aan voedsel te aanschouwen. Twee winkelwagens vol. Ik voelde me de koning te rijk. Ja, kijk maar goed mevrouw, die twee winkelwagens horen bij mij. Drie dozen houdbare melk, vier pakken witte rijst, zes zakken macaroni, acht houdbare smeckblokjes in blik, 10 zakken paprika chips, diverse sauzen, zakjes gedroogde soep, potten jam, pindakaas en … hagelslag natuurlijk niet te vergeten.
Nu was mijn moeder al niet zo’n goede kok, die weken in Frankrijk maakte het er niet beter op. Begrijp me niet verkeerd; ik had de liefste moeder van de wereld, maar mijn ongeduld voor koken heb ik helaas van haar geërfd. Het voordeel daarvan; het eten was binnen vijftien minuten klaar. Stipt, altijd. Gaar of niet gaar. Het kon gegeten worden.
Nu is uitgebreid koken op de camping op een tweepitsgasfornuis natuurlijk best een hele uitdaging, Dit in combinatie met mijn moeders zuinigheid; dat proef je. Dat we de macaroni van de vorige avond terugvonden in de tomatensoep als vermicelli, vond ik nog enigszins normaal. Iets minder was de kippensoep variant; witte rijst in de kippensoep klinkt exotisch, maar zo smaakt het niet. Zelfs niet met extra kerriepoeder. Mijn favoriet was dan ook het ontbijt. Dat de hagelslag na een aantal dagen in de hitte gestaan te hebben enigszins wit uitsloeg deed ons helemaal niets. De kleine koelkast gevuld met Goudse kaas had immers geen ruimte meer voor de hagelslag. Het was nu eenmaal niet anders.
Toen ik als twintigjarige met een vriendje ging kamperen, kocht ik alles in een Franse supermarkt en proefde huisgemaakte kazen en droge worst. Ik snapte niet waarom mijn ouders de keuze maakten Hollandse producten in de bakken van de caravan over de grens te smokkelen, terwijl Frankrijk overheerlijke delicatessen te bieden had. Joelend heb ik mijn moeder geïnformeerd via Collect Call: ‘Weet je wel hoe lekker Franse jam smaakt op een vers croissantje?’
Tot ik zelf kinderen kreeg.
‘Ik lust geen jam met hele aardbeien erin’
‘In Franse mayonaise proef je mosterd. Die wil ik niet.’
‘Deze melk smaakt naar koe.’
Dat de hele campingkoelkast meurde naar schimmelkaas gekocht op de plaatselijke markt, daar klagen mijn kinderen nog over.
Mijn zoon en dochter zijn inmiddels pubers, maar ik zal iets bekennen. Pindakaas en hagelslag staan bovenaan de inpaklijst. Niets is lekkerder dan een knapperig kontje van een baguette belegd met wit uitgeslagen hagelslag. En dan heb ik nog niet eens de overheerlijke Calvé pindakaas genoemd. Werkelijk waar, boven de dertig graden wordt deze pas echt smeuïg .
De zakjes droge soep en de rijst mogen niet mee. Die blijven in het schap. Nee, ook ik heb grenzen.

Schrijfopdracht: schrijf een tekst met het thema Sinterklaas.

Thuis in een nieuw land

‘Lotje, potje, snotje, kotje.’ Vier woorden op een klein zwart papiertje. De klas begint te lachen. ‘Dat is toch geen sinterklaasgedicht!’ roept de eeuwige roeper. ‘Het rijmt anders wel,’ merkt de taalexpert op. Ondertussen zakken de mondhoeken van Ana steeds verder naar beneden. Net als haar tengere schouders. Ana is negen jaar en komt uit Roemenië. Ze heeft eerst een jaar op de taalschool gezeten en nu zit ze bij ons in de klas. Ze mist haar familie en vriendinnetjes uit haar geboorteland. En ook al waren de straten vies en waren er boeven (aldus Ana), ze zou het liefst vandaag nog terug willen. Ik roep de gever en ontvanger bij me en vraag wat de ontvanger vindt van het gedicht. ‘Ik denk dat Ana erg haar best heeft gedaan,’ zegt Liselot beleefd na lang nadenken. ‘Dit is de eerste keer dat ik een sinterklaasgedicht schrijf, joeffrouw. In Roemenië doen wij dat nooit.’ En dan begrijp ik dat Ana de mooie traditie van 5 december niet kent.  ‘Ana, wij gaan morgen nog een gedicht schrijven en ik ga jou helpen.’

Daar zitten we dan. Eerst brainstormen we wat we allemaal weten over Liselot. De eerste zin staat al gauw op papier. Ik leg uit dat we nu een nieuwe zin moeten bedenken, rijmend op het laatste woord van de eerste zin. Dat valt niet mee. Ook al spreekt Ana na 1 1/2 jaar vloeiend Nederlands, bestaande rijmwoorden vinden is toch écht een brug te ver. Bovendien is de levendige fantasie van Ana niet in een rijm te stoppen. Toch hebben we na een kwartier een gedicht van tien regels. Huppelend komt Ana de klas binnen. Wanneer Liselot haar rijm voorleest, staat Ana springend naast me. Nooit eerder heb ik Ana zo zien stralen. Als het gedicht uit is, kijken de twee meisjes elkaar in de ogen, lachen en geven elkaar een knuffel. Heimwee maakt plaats voor nieuwe vriendschappen. Ana wordt later schrijfster. Ik weet het zeker. En dan hoop ik dat ze dit moment voor eeuwig herinnert.